Margarete · Maximilian I.  /  Capilla Flamenca









medieval.org
ORF CD 265

2001
[73:49 & 57:02]








CD 1

MISSA IN NATIVITATE BEATAE MARIAE VIRGINIS
PIERRE DE LA RUE. «Missa Iste est speciosa»

1. Ricercar «Sub tuum praesidium»   [2:50]   HEINRICH ISAAC (ca. 1450-1517)

2. Introitus «Gaudeamus»   [4:01]   CHORAL · H. ISAAC

3. Kyrie aus der «Missa Iste est speciosa»   [5:46]   PIERRE DE LA RUE (ca. 1460-1518)

4. Gloria aus der «Missa Iste est speciosa»   [7:53]   P. DE LA RUE

5. Graduale «Audi filia»   [4:33]   CHORAL

6. Alleluia «Nativitas Virginis»   [3:03]   H. ISAAC

7. Sequentia «Stirpe Maria»   [5:42]   CHORAL · H. ISAAC

8. Credo aus der «Missa Iste est speciosa»   [10:20]   P. DE LA RUE

9. Offertorium «Filiae regum»   [1:33]   CHORAL

11. Sanctus aus der «Missa Iste est speciosa»   [11:12]   P. DE LA RUE

11. Ricercar   [1:07]   H. ISAAC

12. Agnus Dei aus der «Missa Iste est speciosa»   [9:35]   P. DE LA RUE

13. Communio «Diffusa est gratia»   [1:20]   CHORAL · H. ISAAC

14. «Ite, missa est»  [0:45]   CHORAL

15. «Resurrexit tecum suum»  [3:08]   HANS BUCHNER (1483-1538)




CD 2

«MARGARETE VON ÖSTERREICH • MAXIMILIAN I.»
MUSIK UM 1500


DER FRANZÖSISCHE HOF

1. «D'ung aultre amer»   [5:04]   JOHANNES OCKEGHEM (ca. 1410-1497)

2. «Petite camusette»  [3:41]   J. OCKEGHEM

3. «D'ung aultre amer»  [1:18]   ALEXANDER AGRICOLA (ca. 1446-1506)

4. «Avant, avant»  [1:44]   ANONYM (15. Jh)

AUS FLÄMISCHEN STÄDTEN

5. «Mi heeft een piperken»  [1:14]   ANONYM (15. Jh)

6. «Een sotte cluytte»  [2:01]   ANONYM (15. Jh)

7. «Tsmeiskin was jonck»  [2:45]   JACOB OBRECHT (ca. 1450-1505)

8. «Ic hebbe ghen geld»  [1:42]   J. OBRECHT

ANTWERPEN — EIN HAFEN IN ZENTRALEUROPA

9. «Een vrolic wesen»  [1:14]   JACQUES BARBIREAU (2. Hälfte des 15. Jh.)

10. «Ai freulic wesen»  [1:17]   H. ISAAC

11. «Ein frölich wesen»  [1:19]   J. OBRECHT

12. «Ein frölich wesen»  [1:19]   JOHANNES HEER (ca. 1489-1553)

13. «Ein frölich wesen»  [1:24]   ARNT VON AICH (?-ca. 1528/30)

14. «Ai freulic wesen»  [1:22]   H. ISAAC

DER HOF IN MECHELN — MARGARETE VON OSTERREICH

15. «Adieu mes amours»  [4:31]   JOSQUIN DESPREZ (ca 1440-1521)

16. «Tous les regretz»  [5:40]   P. DE LA RUE

17. «Tous nobles cuers»  [1:54]   P. DE LA RUE

DER HABSBURGISCHE HOF

18. «La la hö»  [135]   H. ISAAC

19. «Ach Elslein»  [2:31]   LUDWIG SENFL (ca. 1486-1542/43)

20. «Ach Elslein» • «Es taget»   [2:14]   L. SENFL

21. «Wann ich des Morgens»   [2:07]   H. ISAAC

22. «Wann ich des Morgens»   [0:59]   H. ISAAC

23. «Ach Elslein» • «Es taget» • «Wann ich des morgens»   [2:26]   H. ISAAC

24. A la battaglia   [4:19]   H. ISAAC



CAPILLA FLAMENCA
MARNIX DE CAT, STRATTON BULL   Contratenor
JAN CAALS, CHRISTOPHER KALE, KOEN LAUKENS, JAN VAN ELSACKER   Tenor
LIEVEN TERMONT, BART DEMUYT   Bariton
DIRK SNELLINGS, PAUL MERTENS   Baß
SOPHIE WATILLON, GAIL SCHRODER, PIET VAN STEENBERGHEN, LIAM FENELLY   Viola da gamba
HANNELORE DEVAERE   Harfe
PATRICK DENECKER   Blockflöte

LA CACCIA
ELISABETH SCHOLLAERT, MIRELLA RUIGROK, PATRICK DENECKER   Schalmei
GUNTER CARLIER   Posaune

KNABEN DER SCHOLA CANTORUM CANTATE DOMINO AALST
Einstudierung   Z. E. H. M. GHIJS

SCHOLA GREGORIANA LOVANIENSIS
JEF ANAF, JOS BIELEN, JOACHIM KELECOM, FRANS MARIMAN, GÉRALD MESSIAEN,
BJORN SCHMELZER, HENDRIK VANDEN ABEELE (Cantor)
CHRIS VAN DE WAUW, OLV FRANS MARIMAN

JORIS VERDIN   Orgel

Musikwissenschaftliche Beratung DR. EUGEEN SCHREURS

Leitung DIRK SNELLINGS



ORF EDITION ALTE MUSIK

Herausgegeben von Bernhard Trebuch

 alte.music@orf.at

℗ + ©  ORF 2001
ORF CD 265
ORF ALTE MUSIK

Konzeption & Produktion, BERNHARD TREBUCH
Aufnahmeleitung: PAUL BEELAERTS
Technik & Mastering: JO COPS
Aufnahme:
18-21 AUGUST 1998 • KAPELLE DES IERS COLLEGE
12 SEPTEMBER 1998 • ST.-NIKLAASKERK HERFELINGEN · HERNE
(REKONSTRUKTION EINER ORGEL DES FRÜHEN 16. JAHRHUNDERTS AUS UTRECHT VON STAN ARNOUTS)

Titelbild:
HUGO VAN DER GOES (Gent ca. 1440-1482 Rode Klooster bei Brüssel)
“DIPTYCHON VOM SÜNDENFALL UND ERLÖSUNG
», um 1470/75 (Kunsthistorisches Museum Wien)

IN ZUSAMMENARBEIT MIT DEM   
“MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP»

ALLE RECHTE VORBEHALTEN!





English liner notes
















Margarete · Maximilian I.


«Am Sonntag Bartholomei [24 augustus, 1494] ritten mein g[nädige] herre und alle ander Fürsten mit den Römischen König [Maximiliaan] zur kirchen [St.-Romboutskerk in Mechelen]. Da ward von des Königs oberländischen und französischen singern ein Köstlich Mess gesungen.» Zo verhaalt het dagboek van keurvorst Frederik de Wijze van Saksen, die in dat jaar de Lage Landen bezoekt. Van Doorslaer, die in 1930 een artikel publiceert over het muziekleven in Mechelen in de-15de eeuw, neemt aan dat tijdens het verblijf van Maximiliaan en zijn tweede vrouw Maria Bianca Sforza, de zangers van de toekomstige Roomse keizer Maximiliaan en van de Bourgondi-sche hofkapel samen een schit-terende mis uitvoerden in de Mechelse St.-Romboutskerk. Zangers/componisten in deze kapel waren onder meer Pierre de La Rue en Gaspar van Weerbeke. Ook later zouden de Bourgondische hofkapel en deze van Maximiliaan nog samen musiceren, onder meer in 1503 in Innsbruck: «De zangers van de koning [Maximiliaan] en van Monseigneur [hertog Philips de Schone], zongen de mis, in combinatie met orgel-spel.» Philips de Schone (*1482), zoon van Maximiliaan van Oostenrijk en van de, door een val van haar paard, te vroeg gestorven Maria van Bourgondië, (+1482) erfde zowel langs vaderszijde (zie het bestaan van de Hofkapelle sinds de heerschappij van Sigismund, Albrecht II en Frederik Ill) als via moederszijde (zie het bestaan van de zeer beroemde Bourgondische hofkapel sinds hertog Filips de Stoute) de liefde voor de muziek. Beide dynastiëen omringden zich sinds decennia met de beste musici en componisten. Zo kennen we via het motet Romanorum rex van de Vlaming Johannes Brassart de namen van de zangers/componisten van Albrecht II. De meesten bleken, net als Brassart, afkomstig te zijn uit de Lage Landen. Van de Bourgondische hofkapel weten we dat de bekwaamste zangers werden gerecruteerd uit de «maitrises» van collegiale kerken in Cambrai, Antwerpen, Brugge, Nijvel en tal van andere Henegouwse, Brabantse en Vlaamse steden. Zo kennen we de namen van Jean Tapissier, Nicolas Grenon, Gilles Binchois, Guillaume Dufay, Gilles Joye, Hayne van Ghizeghem en tal van anderen die op een of andere manier in contact zijn te brengen met dit luisterrijke hof.

Ofschoon er ook wel een traditie bestond aan het Habsburgse hof, is het toch duidelijk dat de Bourgondische zangcultuur diepere wortels had en is het begrijpelijk dat Maximiliaan bij de samenstelling van zijn deels «nieuwe» hofkapel, die vooral in Innsbruck actief zou zijn, een Bourgondisch model voor ogen had. Daartoe deed hij onder meer een beroep op zangers en componisten uit de Lage Landen. Zo zal bv. Jacob Obrecht in 1503 in Innsbruck betaald worden voor het componeren van een Missa Regina caeli en krijgt Maximiliaan via zijn dochter Margaretha, die na het overlijden van Philips de Schone in 1506, in naam van de minderjarige aartshertog Karel, regentes wordt over de Lage Landen, tal van kostbare zangboeken toege-stuurd. Vooral deze codices, samengesteld en verlucht onder leiding van de kopiist/zanger en spion Petrus Imhoff, alias Alamire, zullen zowel omwille van hun verluchtingen in de zogenaamde Gent-Brugse stijl, als omwille van de schitterende polyfonie die ze bevatten, tot de verbeelding van de vorst hebben gesproken. Tekenend in dat opzicht is een citaat uit een brief van Margaretha aan haar vader: «Monseigneur [d.i. Maximiliaan], Alamire l'un des chantres de Monseigneur mon nepveu [d.i. aartshertog Karel], s'en va presentement par devers vous pour your presenter ung livre de musique qu'il a fait, que me semble beau. Si vous supplie, Monseigneur, que si le dit livre vous est agreable et desirez le garder, en seroye bien joyeuse; aultrement, Monseigneur, si ne le voulez garder et en vueillez faire present a quel-am, vous supplie le me renvoyer et avoir le dit Alamire pour recommandé et vous me ferez honneur et plesir. Mon très redoubté seigneur et pere, je prie a tant Nostre Seigneur vous donner bonne vie et longue. Escript a Malines ce VIle de mars anno 1510.» Wellicht zal Maximiliaan dit geschenk zeer op prijs hebben gesteld, hetgeen we onder meer ook kunnen afleiden uit de samen-stelling van zijn bibliotheek, waarvan nu nog tal van Alamire-codices worden bewaard in de Weense Staatsbibliotheek. De meeste van deze handschriften bevatten missen die werden uitgevoerd door de hofkapel. Op de eerste CD hebben we getracht de rijkdom van de variatie, tijdens een misuitvoering aan het Habsburgse hof, te suggereren. Als feestdag kozen we de geboor-te van Maria (8 september), en programmeerden we de schitterende vijfstemmige mis Ista est speciosa die onder meer tijdens dit Mariafeest werd gezongen. Het is een van de gaafste voorbeelden van Pierre de La Rues stijl. Gelet op het aantal bronnen waarin deze mis voorkomt, moet dit werk vrij verspreid zijn geweest over West-Europa. We vinden ze onder meer terug in handschriften in Brussel (Koninklijke Bibliotheek, MS 6428 en MS 15075, afkomstig uit de hofbibliotheek van Margaretha van Oostenrijk), Jena (Universiteitsbibliotheek, ms. 2 en 4: manuscripten geschonken aan Frederik de Wijze, keurvorst van Saksen), Vaticaanstad (Capella Sistina, MS 34: een geschenk voor paus Leo X) en tevens in twee bronnen die momenteel in Wenen worden bewaard (Österreichische National-bibliothek, ms. 15497 en ms. 18832, enkel het duo Pleni sunt), alle vervaar-digd door Petrus Alamire. Alleen het compilatie-handschrift 260 van de Bayerische Staatsbibliothek in München dat 100 bicinia bevat, waaronder het duo Pleni sunt uit de hier uitgevoerde mis, is niet afkomstig uit het atelier van Alamire.

De mis is gebaseerd op de gregoriaanse melodie «lsta est speciosa», een Maria-antifoon die doorheen de tijden werd «afgeschaft» door de Kerk. Pierre de La Rue verwerkt deze cantus firmus in de tenor op een creatieve, geniale en toch zeer natuurlijke wijze. Daarbij tracht hij het evenwicht te bewaren tussen imitatief en vrij contrapunt, harmonische spanning en ontspanning (voor-al de kadensvorming in de frygische mi-modus is bijzonder expressief) en de afwisseling van compacte, vijfstemmige contrapuntische gedeelten, omofone passages (bv. in het Credo, op de tekst passus — heeft geleden —, en in het Agnus op de tekst peccata — zonden —, in een haast faux-bourdon-achtige stijl) en meer doorzichtige duo's.

Deze mis, die de kern vormt voor dit Mariafeest, wordt gedeeltelijk afgewisseld met het gregoriaanse proprium voor deze dag. We kozen als bron het Graduale Pataviense, dat in 1511 in Wenen werd gedrukt en dat belangrijke gelijkenissen vertoont met de Choralis Constantinus, de eerste meerstemmig gezette proprium-cyclus uit de muziekgeschiedenis, deels getoonzet door Heinrich Isaac en deels door diens leerling Ludwig Senfl. Isaac was tussen circa 1496 en 1512 als componist en zanger verbonden aan het hof van Maximiliaan en speelde in die hoedanigheid een sleutelrol in de transmissie van de ingewikkelde «Vlaamse compositie-technieken» en de verworvenheden van de Italiaanse renaissance. Het niet in het gregoriaans uitgevoerde gedeelte van het proprium is afkomstig uit deze Choralis Constantinus. Voor de uitvoering kozen we voor een praktijk die in Vlaanderen was ingeburgerd, namelijk voor het «Cantare in organis», waarbij we de knapen de bovenstem hebben laten zingen (een soort van cantus-firmus-zetting), begeleid door de drie onderstemmen op het orgel, dat in deze uitvoering ook nog tal van versieringen toevoegt. Dit renaissance-orgel hebben we ook op een meer klassieke wijze geïnte-greerd tijdens deze opname, hetzij als introductie («Sub tuum praesidium» van Isaac), hetzij alterne-rend (bv. in de sequentia «Stirpe Maria»), hetzij als afsluiting (Buchners «Resurrexi et tecum sum»).

Voor de Latijnse uitspraak opteren we bij de uitvoering van het proprium, zoveel mogelijk, voor de lokale Zuid-Duitse klanken en voor de uitvoering van de mis voor de Bourgondisch/Vlaamse. Daardoor proberen we de idee van een ontmoeting tussen de Oostenrijkse en de Bourgondische hofkapel opnieuw gestalte te geven.

Zoals gebruikelijk lieten vorsten niet alleen geestelijke muziek ten gehore brengen, maar konden ze tevens genieten van wereldlijke werken, uitgevoerd door een aparte «kapel». Naast zangers treffen we hier ook tal van instrumenten aan, zoals viola da gamba, luit, harp (de zogenaamde zachte muziek gespeeld op instruments bas), en blaas-instrumenten zoals schalmeien en bazuinen, gebruikt voor de luidere openluchtmuziek, gespeeld op instruments haults. Bekend op het vlak van de muziekiconografie is uiteraard de Triumphzug van Maximiliaan, waar tal van ensembles zijn afgebeeld. Teneinde ook een impressie te geven van deze wereldlijke muziek aan Maximiliaans hof, waarbij we zowel het lokale als het internationale karakter aan bod willen laten komen, hebben we tevens een tweede CD voorzien.




Zoals aan alle Europese hoven werd de basis van de wereldelijke muziek gelegd door de Franse hofcultuur. Het chanson was hierbij het geliefde genre bij uitstek. Typerend was dat bepaalde liederen, zoals het rondeau «D'ung aultre amer» van Johannes Ockeghem, zo geliefd werden, dat ze als model dienden voor diverse nieuwe bewerkingen, zoals de hier instrumentaal uitgevoerde versie van Alexander Agricola. Centraal in deze chansons stond meestal de hoofse liefde.

De Vlaamse gegoede burgerij en de toonaangevende ambtenaren van het hof probeerden deze hoofse kamermuziek te imiteren, zij het dan dat ze reeds vrij vlug de voorkeur gaven aan de volkstaal (het Neder-Duits) en dat de thematiek «luchtiger» was. Vooral het in het «zot stellen» was een vrij geliefd thema (bv. «Mi heeft een piperken»: d.i. een bespeler van een blaasinstrument) dach ghestelt of «Een sotte cluytte wil ic ons singhen», beide uit het liedboek van Hieronymus van Watervliet). Stadsspeellieden in steden als Antwerpen, Brugge, Brussel en Gent, voerden regelmatig instrumentale versies uit van bewerkingen van eenstemmige, meer volkse liederen, zoals het speelse «Ic hebbe gheen gelt in mijn bewelt», dat in compositorisch opzicht ten dele vergelijkbaar is met een Duits tenorlied. — De geïdealiseerde, meer hoofse liefde is nog aanwezig in liederen als «Tmeiskin was jonck» van Jacob Obrecht of «Een vrolic wesen» van Jacques Barbireau.

Ondanks de handicap van de taal konden een aantal liederen op Nederlandse tekst zich ook internationaal verspreiden. We denken aan het beroemde «Tandernaken», maar ook aan het reeds genoemde «Een vrolic [vrauwelic?] wesen» van de Antwerpse componist Jacques Barbireau, die onder meer met een aanbevelingsbriefvan Maximiliaan in 1490 in het Hongaarse Buda verbleef, wellicht om muzikale redenen. Naast een Franse versie van dit lied, treffen we in diverse Europese liedboeken tal van Duitse varianten aan, waarbij bepaalde partijen de basis vormen voor nieuwe composities. In het liedboek van de Zwitserse humanist Johannes Heer is er bv. sprake van een «Alla compositio Super Ein fröliche wesenn», met in de tenorpartij de aanduiding «Ein nuwesfrölich wesenn». In het liedboek van Heer wordt bv. de bas van het model als bovenstem aangewend en zijn de overige twee stemmen nieuw gecomponeerd.

Aan het hof van Maximiliaans dochter, Margaretha, ging het er meestal intiemer en melancholischer aan toe. Margaretha was door tegenspoed wat vereenzaamd en koesterde vooral het introverte Bourgondische chanson, waarin het woord regretz zonder meer een sleutelrol speelde. Haar lieve-lingscomponist was Pierre de La Rue, die onder meer in het «Tous les regretz», een voorkeur laat blijken voor uitzonderlijke tessituren, met een bas die tot de lage Cis daalt. Ook de dissonanten die ontstaan via de talrijke harmonische vertragingen lijkt hij als een vorm van tekstexpressie aan te wenden.

De wereldlijke muziek aan het Habsburgse hof daarentegen wordt vaak gekenmerkt door haar fris karakter, het gebruik van wereldlijke cantus firmi (de zogenaamde Duitste tenorliederen) en het aanwenden van gekunstelde contrapuntische technieken. Een punt van culminatie in dit opzicht is bijvoorbeeld het zesstemmige «Ach Elslein · Es taget · Wann ich des morgens» van Ludwig Senfl, waarin niet minder dan 3 bestaande melodieën gelijktijdig voorkomen. Ook in de uitvoeringswijze op deze CD zit de opbouw van de deze tenorlie-deren verankerd.

De uit de Lage Landen afkomstige Heinrich Isaac, die vooral in Firenze en Innsbruck actief was, en onder meer in dienst stond van Maximiliaan, schreef voor een ceremonie in Firenze, een indrukwekkende driedelige «A la battaglia», op tekst van Gentile Becchi, bisschop van Arezzo, waarin hij de veldslag van Sarzanello, onder meer via imitatie van trompetsignalen, op een schitterende wijze weet te evoceren. Het werk was destijds tot ver buiten de Italiaanse grenzen, en ook in Duitstalige gebieden bekend (onder meer als «O praeclarissima» en als «Ave sanctissima»), maar wordt hier instrumentaal uitgevoerd. In ieder geval blijkt zowel uit de interesse van Isaac als van Maximiliaan dat er aan het hof zowel ruime aandacht bestond voor de Noordelijke traditie (de Vlaamse componisten) als voor de Zuidelijke (de Italiaanse componisten) en zorgde dit, in combinatie met specifiek Duitse invloeden (literatuur voor speellieden, de tenorliederen, het gebruik van blazers) voor een unieke symbiose van stijlen.

Eugeen Schreurs









Margarete · Maximilian I.


«On Bartholomeus Sunday [24 August 1494] my merciful lord and all the other princes rode with the Roman King [Maximilian] to the church [St Rombout's in Mechelen]. There an exquisite mass was sung by the king's Austrian and French singers.» So goes the description in the diary of the elector Frederick the Wise of Saxony, who was visiting the Low Countries in that year. Van Dorselaer, who in 1930 published an article on the musical world in Mechelen in the 15th century, concludes from this that during the visit by Maximilian and his second wife, Maria Bianco Sforza, the singers of the future Holy Roman emperor Maximilian and of the Burgundian court chapel joined forces to perform a glittering mass in St Rombout's. This chapel included such singer/composers as Pierre de La Rue and Gaspar van Weerbeke. Among subsequent collaborations of the Burgundian court chapel with Maximilian's chapel was a 1503 performance in Innsbruck: «The singers of the king [Maximilian] and of Monseigneur [Duke Philip the Handsome] sang the mass, in combination with the organ.»

Philip the Handsome (*1482), son of Maximilian of Austria and Maria of Burgundy (who died young in 1482 as a result of a riding accident), inherited a love of music both from his father's side (a «Hofkapelle» had existed since the rule of Sigismund, Albrecht II and Frederick III) and from his mother's (which boasted a famed court chapel from the time of Philip the Bold). Both dynasties had for decades surrounded themselves with the finest musicians and composers. In his motet «Romanorum rex», the Fleming Johannes Brassart lists the names of the singers and composers in the service of Albrecht II. Most of these, like Brassart himself, came from the Low Countries. We know that the best singers in the Burgundian court chapel were recruited from the «maitrises» of the collegiate churches of Cambrai, Antwerp, Bruges, Nivelles, and many other cities in Hainaut, Brabant, and Flanders; among these singers were Jean Tapissier, Nicolas Grenon, Gilles Binchois, Guillaume Dufay, Gilles Joye, Hayne van Ghizeghem, and many others in one way or another were connected to this illustrious court.

Although a musical tradition also existed at the Habsburg court, it is clear that the Burgundian singers' culture possessed deeper roots; this explains why Maximilian, when assembling his partly «new» court chapel, which was to be active chiefly in Innsbruck, looked to the Burgundian model. In this task he drew chiefly on singers and composers from the Low Countries. In 1503, for example, Jacob Obrecht was remunerated in Innsbruck for composing a «Missa Regina caeli». Maximilian also received a great many costly music books by way of his daughter Marguerite, who became governess over the Low Countries after the death of Philip the Handsome in 1506, ruling in the place of the still underaged archduke Charles. These codices, put together and illuminated under the direction of the copyist/singer — and spy — Petrus Imhoff (alias Alamire), seem to have appealed to the imagination of this prince, because of their illuminations in the so-called Ghent-Bruges style and the brilliant polyphonic works they contained. This is suggested by the following passage from a letter addressed to her father by Marguerite: «Monseigneur [i.e, Maximilian], Alamire, one of the singers of Monseigneur my nephew [i.e., Archduke Charles] is currently on his way to see you in order to present you with a book of music which he made, and which seems very beautiful to me. I beg of you, Monseigneur, that if this book pleases you and you wish to keep it, I would be most happy; otherwise, Monseigneur, if you do not wish to keep it and intend to give it to someone else, I would ask you to send it back to me and hold the said Alamire in high esteem and you will give me great honour and pleasure. My most respected Seigneur and father, I pray Our Lord to give you a good and long life. Written in Mechelen this 7th of March, 1510.»

Maximilian clearly appreciated the gift highly, judging by his library, which included many Alamire codices, now preserved in the Wiener Stadtbiliothek.

Most of these manuscripts contain masses that were performed by the court chapel. On the first CD, we have attempted to suggest the rich variety of music for the mass at the Habsburg court. We have chosen as feast-day the Nativity of the Virgin Mary (September 8) and built a programme around the splendid five-voice «Missa Ista est speciosa», which would have been sung on Marian feasts. This mass is one of the purest examples of de La Rue's style. Considering the great number of sources in which the work appears, it must have been widely disseminated throughout western Europe. It is found in manuscript form in, among other places, Brussels (Royal Library, MS 6428 and MS 15075, originally from the court library of Marguerite of Austria), Jena (University Library, ms. 2 and 4, manuscripts presented to Frederick the Wise, elector of Saxony), the Vatican (Capella Sistina, MS 34, a gift for Pope Leo X), and also in two sources that are at present preserved in Vienna (Austrian National Library, ms. 15497 and ms. 18832, the latter containing only the «Pleni sunt»). All of these manuscripts are the work of Petrus Alamire. Only the compilation manuscript 260 in the Bavarian State Library in M[... Munich containing 100 bicinia, including the duo Pleni sunt from the mass performed here, does not originate from the Alamire workshop.

The mass is based on the Gregorian melody «Missa Ista est speciosa», a Maria-antiphoon later "abandoned" by the Church.
...]me. Pierre de La Rue reworks this cantus firmus in the «tenor» in a creative and brilliant yet natural manner. In so doing, he attempts to preserve the balance between imitative and free counterpoint, between harmonic tension and relaxation. Pierre de La Rue reworks this cantus firmus in the tenor in a creative and brilliant yet natural manner. In so doing, he attempts to preserve the balance between imitative and free counterpoint, between harmonic tension and relaxation (in particular, the cadences in the phrygian mi mode are highly expressive), and between compact, five-voice contrapuntal sections, homophonic passages (e.g., in the «Credo», on the word passus [suffered] and in the Agnus Dei on the word peccata [sins]). The portions of the propers not sung as plainchant are taken from the «Choralis Constantinus» — composed by Heinrich Isaac. Isaac was employed by Maximilian as a composer and singer between ca. 1496 and 1512, and as such played a key role in the transmission of the complex 'Flemish compositional techniques' and the achievements of the Italian Renaissance. For this recording, we have opted for a practice that was widespread in Flanders, known as «Cantare in organis», whereby in our performance the trebles have been given the highest part (in effect a kind of cantus firmus setting) while the organ accompanies them on the three lower parts, here richly ornamented. The Renaissance organ has also been integrated into this recording in a more «classic» manner, in a prelude («Sub tuum praesidium» by Isaac), in alternation with the singers (e.g., in the sequence «Stirpe maria»), and in a postlude (Buchner's «Resurrexi et tecum sum»).

We have based the pronunciation of the Latin mainly on the local south-German for the propers and on Burgundian/Flemish for the mass. In this way we hope somewhat to have recreated the «confrontation» of the Austrian and Burgundian court chapels.



Next to performances of sacred music, it was customary for princes to revel in the sounds of secular music, performed by a separate «chapel». Here the singers were complemented by instruments of all kinds, including the viola da gamba, the lute, and the harp (the so-called «quiet music» played on «instruments bas»), and wind instruments such as shawms and sackbuts (the «instruments haults», which provided louder music for open air performance). The well-known document of musical iconography from the period, the «Triumphzug» of Maximilian, depicts many such ensembles. The second CD gives an impression of this secular repertoire at Maximilian's court, illustrating both the local and international character of the music.

As was the case at all European courts, secular music was based on the musical culture at the French court. The chanson formed the central genre in this tradition. It was typical for certain well-loved chansons, like the rondeau «D'ung aultre amer» by Johannes Ockeghem, to serve as models for various new arrangements, such as the instrumental version by Alexander Agricola here performed. Courtly love formed the main theme in this chanson tradition.

The well-to-do Flemish bourgeoisie and leading officials at the court imitated this courtly chamber music, although early on they showed a preference for the vernacular (Low German) and for «lighter» poetic themes. «Playing the fool» was an especially favoured theme (as in «Mi heeft een piperken dach ghestelt» — «piperken» refers to a piper or wind player — or «Een sotte sluytte wil ic ons singhen», both of which come from the song book of Hieronymous van Watervliet). Official city musicians in cities such as Antwerp, Bruges, Brussels, and Ghent regularly performed instrumental versions of simple folksongs, such as the playful «Ic hebbe gheen gelt in mijn be-welt», which shows many similarities with the German Tenorlied in terms of its compositional style. An idealized, more courtly love is still noticeable in songs such as «Tmeiskin was jonck» by Jacob Obrecht of En vrolic wesen by Jacques Barbireau.

Despite the limitations imposed by their language, a number of songs on Dutch texts enjoyed international fame. The well-known song, «Tandernaken», comes immediately to mind, as well as the above-mentioned «Een vrolic [vrauwelic] wesen» by the Antwerp-born Barbireau who, thanks to a letter of recommendation from Maximilian, spent some time in the Hungarian city of Buda in 1490, likely in a musical capacity. Besides a French version of this song, many German variants are found in a wide range of European song books, whereby one of the original voices serves as the basis for a new composition. In the song book of the Swiss humanist Johannes Heer, there is, for instance, a reference to an «Alia compositio Super Ein fröliche wesenn», with the words «Ein nuwes frölich wesen» written in the tenor part. In Heers song book, the bass part of the model is employed as the top voice while the other two voices are newly composed.

At the court of Maximilian's daughter, Marguerite, the atmosphere was generally a good deal more intimate and melancholy. Marguerite's misfortunes had left her a somewhat solitary figure, and explained her preference for the introverted Burgundian chanson, in which the word «regretz» often played a key role. Her favourite composer was Pierre de La Rue, who clearly enjoyed writing parts with wide ranges, as in «Tous les regretz», where the bass descends to a low c-sharp. He also seems to have employed as a form of text expression the dissonances that are produced by the many instances of drawn-out harmonies.

In contrast, the secular music at the Habsburg court was often characterized by its fresh sound, the use of secular cantus firmi (the so-called German «Tenorlied»), and the application of a high degree of contrapuntal artifice. A highlight of this style is the six-voice «Ach Elslein • Es taget • Wann ich des morgens» by Ludwig Senfl, in which no fewer than three existing melodies are heard simultaneously. The performance on this CD is firmly rooted in the structure created by these «tenor songs».

Heinrich Isaac, a native of the Low Countries, and chiefly active in Florence and Innsbruck, partly in the service of Maximilian, wrote an impressive «A la battaglia» for a ceremony in Florence. In this work in three sections, on a text by Gentile Becchi, bishop of Arezzo, he creates a brilliant musical evocation of the battle of Sarzanello, complete with trumpet calls. At the time, this work achieved fame far beyond Italy, becoming renowned in the German-speaking lands (including versions renamed as «O praeclarissima» and «Ave sanctissima»); here the composition is performed instrumentally. The musical preferences of Isaac and Maximilian indicate that the court maintained a broad interest in the northern tradition (the Flemish composers) and the southern (the Italian composers); this, in combination with specific German influences (literature for the minstrels, the «Tenorlied», the use of wind instruments), created a unique symbiosis of styles at the court.

Eugeen Schreurs
(Translation: Stratton Bull)









sonusantiqva.org

The Web SonusAntiqva
inicio home